Mensen vragen mij weleens:
“Ben je druk?”
En meestal zeg ik:
“Het is hollen of stilstaan. Doodstil of stervensdruk.”
“Maar er gaan toch altijd mensen dood? Dus jij hebt toch altijd werk?”
Nou… zo werkt het niet helemaal. Er zijn in Almere veel goede uitvaartverzorgers. Dus het blijft de vraag wie een familie belt.
Ik doe dit werk al een tijd en regelmatig word ik na jaren opnieuw gebeld. Soms voor een tweede of derde uitvaart binnen dezelfde familie.
Zo belde onlangs de familie van Johanna.
Haar man Kees was in 2021 overleden, midden in coronatijd. Ook zijn uitvaart heb ik verzorgd. Kees was een keurige, wat conservatieve man. Zijn afscheid vond traditioneel plaats.
Ik zie die enorme aula nog voor me.
Vijftien mensen.
Dat was toen gewoon de werkelijkheid.
Een paar jaar later overlijdt Johanna. Zij woonde inmiddels in een woonzorgcentrum en had dementie.
Tijdens de verzorging gebeurt er iets bijzonders. Langzaam zie ik weer de vrouw terug die ik van vroeger kende.
“Ja… daar is ze weer.”
Johanna.
Later zit ik met haar zoon, dochter en kleinkinderen om het afscheid te bespreken.
Haar zoon denkt aan een uitvaart zoals bij zijn vader. Een aula, stoelen op een rij. Netjes en vertrouwd.
Haar dochter en de kleinkinderen zien iets anders voor zich. Meer warmte. Gezelligheid. Samen rond de tafel.
“Dat past veel meer bij mama.”
Ik vertel over de koffiekamer van crematorium De Einder in Hilversum, met dat prachtige uitzicht over de hei.
Haar zoon moet er even aan wennen.
En dat snap ik.
Als iemand net is overleden, zit je hoofd vol. Dan grijp je al snel terug op wat je kent.
“Zo hebben we het de vorige keer ook gedaan.”
Daar is niets mis mee.
Maar soms stel ik die ene vraag:
“Gaan we doen wat we kennen, of wat écht bij jullie moeder past?”
Uiteindelijk werd het een warm afscheid in de koffiekamer.
De uitvaart van Kees was traditioneel.
Dat paste bij Kees.
Maar Johanna was een andere vrouw.
En dus mocht haar afscheid ook anders zijn.
Want een uitvaart hoeft geen herhaling te zijn.
Het mooiste is als je later kunt zeggen:
“Ja. Dit was mama.”